Ruimte voor actuele kunst

Archief
LLS 387
2011

NowBelgiumNow

Nicolas Buissart, Jonathan De Winter, Andrea Galiazzo, Filip Gilissen, Lien Hüwels, Adrien Lucca, Karl Philips, Adrien Tirtiaux, Marie Zolamian

09.10.2011 — 20.11.2011

kunstenaars uitgenodigd door/artistes invités par Ulrike Lindmayr en/et Stella Lohaus

vernissage 8 oktober/octobre: performance Jonathan De Winter + Gerard Meurant, Nicolas Lhuire en/et Bruital Orgasme

finissage 20 november/novembre: performance Jonathan De Winter + Nicolas Lhuire, Gerard Meurant en/et Sound Clouds

drie locaties gelegen in de/trois lieux dans la Lange Leemstraat:
Paleisstraat 140
poortgebouw voormalige HISK/portail de l’ancien HISK (‘t Groen Kwartier)
gelijkvloers tegenover/rez-de-chaussée en face du Paleisstraat 140 (Hospitaalplein 1)

Ronde tafel gesprek + screening 19 november/novembre:
‘Morgen is alles anders*’ Over opleidingsmodellen en de toenemende institutionalisering van het kunstenaarschap.’ In samenwerking met het Middelheimmusem.
Screening van de documentaire ‘3 x kunstonderwijs’, 1987; realisator: Jef Cornelis, scenario: Chris Dercon, producent: Claude Blondeel
Ronde tafel gesprek: Koen Brams (onafhankelijk onderzoeker en essayist / ex-directeur Jan van Eyck Academie Maastricht), Guillaume Bijl (beeldend kunstenaar; autodidact / Professor a.d., Kunstakademie Münster), Vaast Colson (beeldend kunstenaar; ex-student en docent aan de Academie voor Schone Kunsten Antwerpen), Guido Goossens (medeoprichter van OSUC – Open Source Urban Campus, Maastricht)
* titel ‘Morgen is alles anders’ naar een werk van Henk Visch
Met ondersteuning van/avec le soutien de: de Vlaamse Gemeenschap, Stad Antwerpen, Middelheimproductie, Vanhaerents & Wilma Project Development, Woonhaven Antwerpen, Akzo Nobel Paints Belgium (Levis) en/et Duvel Moortgat.

 

[NL]

Ulrike Lindmayr, Stella Lohaus:

Geen studenten, geen reproducties, geen separatisme

Misschien is het organiseren van een tentoonstelling met jonge kunstenaars een van de meest verleidelijke dingen. Wie wil niet mee aan de basis liggen van een toekomstig bekende kunstenaar, en welke politicus of sponsor associeert zich niet graag met opkomend talent? “Jonge mensen kansen geven”, wie kan daar ooit tegen zijn?

En toch, als we kijken naar het hedendaags kunstenlandschap zijn er amper locaties die binnen deze context structureel een engagement nemen. Het blijft bij jaarlijkse eendagsvliegen die samen gaan met afstudeerprojecten van studenten van academies en kunstopleidingen. Dat zijn studenten, niet allemaal kunstenaars. Dit is een ander platform dat hetgene wij ambiëren. De werktitel van deze tentoonstelling was aanvankelijk “to begin with”. Daarmee wilden we aantonen dat het om een introductie in de kunstwereld ging. Het is het begin, een deel van iets groters.

Verder verzetten we ons tegen de toenemende tendens die de klemtoon van het kunstwerk verlegt naar die van het gereproduceerde beeld. De focus van het veldwerk lag op atelierbezoeken, ontmoetingen, gesprekken, werkmateriaal. Vertrekkend vanuit datgene waar de kunstenaar zich mee bezig houdt. Hoe verhoudt hij zich ten opzichte van zoveel voorgangers? Wat inspireert iemand? We namen geen documentatie mee, we werkten niet met portfolio’s. We meden het academische meta-niveau en zochten contact met de kunstenaars zelf.

En dan nog dat andere zeer: de communautaire conflicten, die zuiver politiek zijn, hebben de kunstenaars uit de twee taalgemeenschappen van elkaar vervreemd. De “apartheidspolitiek” die de Vlaamse Gemeenschap het voorbije decennium gevoerd heeft, heeft tot resultaat dat de kunstenaars ten noorden en zuiden van Brussel elkaar amper nog kennen. Dit is een cultuurpolitiek waartegen wij ons verzetten. Kunstenaars hebben geen boodschap aan deze cultuurpolitieke tendens die eerder scheidt dan overbrugt.

De ronde van België

Van mei tot juli 2011 hebben we de belangrijke steden in België meermaals bezocht: Antwerpen, Brussel, Gent, Hasselt, Charleroi, Mons, Liège, … In totaal hebben we bijna negentig kunstenaars ontmoet en ateliers gezien. Dit gaf een enorm rijke input, en leidde tot een kleine groep van negen kunstenaars die we wilden uitnodigen voor de tentoonstelling. De keuze van deze kunstenaars is puur op artistieke basis gebeurd, maar toen we merkten dat oorsprong van de kunstenaars uit Vlaanderen, Wallonië en Brussel volledig in balans was, drong de titel NowBelgiumNow zich op.

Treffend bij de kunstenaars is hun maatschappelijke betrokkenheid die vanuit heel verschillend methoden in hun werk tot uiting komt. Middels infiltratie en met de straat als actieterrein tonen zowel de Limburger Karl Philips als de Karolinger Nicolas Buissart op pertinente wijze de problematiek van het stigmatiseren. Eveneens site specific maar eerder vertrekkend van de architectuur of de geschiedenis van een bepaalde locatie, ontwikkelen Adrien Tirtiaux, uit Nijvel, en de Luikse Marie Zolamian van Armeens-Libanese afkomst een nieuw werk ter plaatse. De in Brussel wonende Fransman Adrien Lucca en de in Italie geboren Andrea Galiazzo, die ook in Brussel leeft, proberen via de ontwikkeling van een eigen universum een greep op de wereld te krijgen. Filip Gilissen extrapoleert het kapitalisme. Alles in zijn werk is goud, de typische peptalk uit de publiciteitssector dat het altijd allemaal goed gaat wordt door de Antwerpenaar karikaturaal uitvergroot. De grote zwart-wit fotos, zelfportretten van Lien Hüwels geven een schrale realiteit weer. En toch, zoals in de films van de gebroeders Dardenne, gaat ook hier in het lelijke een schoonheid schuil, die verrast en ontroert.

De tentoonstelling NowBelgiumNow brengt negen boeiende kunstenaars samen die in het kunstcircuit – eenmaal geïntroduceerd -, een spannende bijdrage kunnen leveren aan het bestaande.

Antwerpen, oktober 2011

[FR]

Ulrike Lindmayr, Stella Lohaus:

Pas d’étudiants, pas de reproductions, pas de séparatisme

Organiser une exposition avec de jeunes artistes est une idée des plus tentantes. Qui ne veut pas être à la base de la découverte d’un futur artiste de renom? Quel politicien ou sponsor ne rêve d’être associé au soutien de jeunes talents? Tout le monde applaudit forcément l’idée de “Créer des chances pour les jeunes”.Pourtant lorsque nous considérons le paysage culturel actuel il existe peu d’endroits qui s’engage de manière structurelle dans cette voie. Les initiatives restent ponctuelles et vont souvent de pair avec des projets de fin d’études. Il s’agit d’étudiants, non d’artistes, et concerne donc une autre plate-forme que celle que nous recherchons. Au départ, le titre de travail de cette exposition était “to begin with”. De cette manière nous exprimions l’idée de l’introduction dans le monde de l’art. L’idée du début, d’une partie d’un tout.

En outre, nous nous opposons à la tendance croissante qui délaissé l’œuvre au profit de l’image reproduite. Notre travail de terrain s’est concentré sur des visites d’ateliers, des entretiens, des rencontres, du matériel de travail. Le point de départ sont les préoccupations de l’artiste. Quel est sa relation avec l’histoire de l’art? Qu’est-ce qui l’inspire? Nous n’avons pas emmené de documentation, n’avons pas travaillé avec des portfolios. Nous avons éviter le méta-niveau et avons privilégie le contact avec les artistes.

Et puis, il y a cette autre tracas: les conflits communautaires, purement politiques, ont éloignées les deux communautés linguistiques. La politique “d’apartheid” mené par la communauté flamande durant la dernière décennie a pour résultat que les artistes du Nord et du Sud du pays ne se connaissent pas. Nous nous opposons à cette politique culturelle qui divise au lieu de rassembler.

Le tour de Belgique

De mai à juillet 2011 nous avons visité à plusieurs reprises les villes d’Anvers, Bruxelles, Gand, Hasselt, Charleroi, Mons et Liège. Au total nous avons rencontré presque nonante artistes et visité autant d’ateliers. La richesse de cette approche, nous a permis de sélectionner neuf artistes que nous souhaitions inviter à participer à l’exposition. Le choix des artistes s’est basé uniquement sur des critères artistiques mais lorsque nous avons remarqué qu’ils étaient issus tant de Flandre, de Wallonie que de Bruxelles, le titre NowBelgiumNow s’est imposé.

L’engagement de ces artistes est frappant. Il s’exprime dans leur oeuvre par des méthodes totalement différentes. Le limbourgois Karl Philips et la carolo Nicolas Buissart infiltre la rue pour dénoncer laproblématique de la stigmatisation. Adrien Tirtiaux, de Nivelles, et la liègoise d’origine arméno-libanaise Marie Zolamian prennent l’architecture ou l’histoire d’un lieu comme point de départ et travaillent eux aussi in situ. Adrien Luca, Français résidant à Bruxelles, et Andrea Galazzo, née en Italie et vivant lui aussi à Bruxelles, développent un univers propre pour mettre main mise sur la réalité. Filip Gilissen extrapole le capitalisme. Tout dans son travail est or, une caricature grandeur nature du message abrutissant véhiculé par le monde de la publicité. Les énormes autoportraits en noir et blanc de Lien Hüwels, reflètent quant aux eux une piètre réalité. Et pourtant, comme dans lesfilms des frères Dardenne, la beauté se cache dans la laideur, elle étonne et émeut.

L’exposition NowBelgiumNow rassemble neuf artistes captivants qui après avoir rejoint le circuit artistique, l’enrichiront assurément.

Anvers, octobre 2011
Traduction par Séverine Windels

 

Nicolas Buissart

°1979 Charleroi, leeft en werkt in Charleroi/vit et travaille à Charleroi
2004-07: Design, Sint-Lukas, Doornik
2008-09: In Situ3, Academie, Antwerpen

[NL]

Een verbrand autowrak en daarin een dvd. Door middel van overdrijving levert Buissart maatschappijkritiek met een grote dosis humor. Charleroi wordt gestigmatiseerd als zijnde de lelijkste stad van de wereld, en om dit cliché extra in de verf te zetten, organiseert Buissart “Safari’s” langs de ruigste, gevaarlijkste en lelijkste wijken. De langste grafitti-muur, de verbrande autowrakken, het huis van Dutroux in Marcinelle, het zijn allemaal “bezienswaardigheden” die Nicolas Buissart als enthousiaste gids in zijn op ramptoerisme geïnspireerde stadswandeling integreert. Zijn werk als kunstenaar bestaat erin te tonen wat er al is. De wagen staat tentoongesteld zoals op een professionele beurs voor safari’s, als publiciteit. De video moet de bezoeker zin geven, zich voor de wandeling in te schrijven. Buissart zal een gelijkaardig werk eveneens tonen in Doornik, in Saint Luc, afdeling design “stylisme de l’objet”, waar hij in 2007 afstudeerde. Verder heeft Buissart ook edities en werk in oplage gemaakt, dikwijls met een gadgetachtige twist: een onderhemd dat tot een boodschappentas kan getransformeerd worden, of een want met een ingenaaide “bierblikhouder”. Zo hoeft de probleemdrinker op straat geen koude hand te krijgen als hij zijn blikje wil vasthouden.
Buissart observeert de zelfkant van de samenleving, en omhelst ze met warmte, generositeit en humor.

[FR]

Une carcasse de voiture carbonisée avec à l’intérieur un DVD. Par la voie de l’exagération, Buissart critique la société avec une bonne dose d’humour. Charleroi porte le stigme de la ville la plus laide du monde, et pour accentuer ce cliché Buissart organise des « safaris » à la découverte des quartiers les plus délabrés et mal famés. Le plus long graffiti, les carcasses de voitures brûlées, la maison de Dutroux, autant d’incontournables que Buissart fait découvrir pendant un tour de ville inspiré du tourisme des catastrophes. Son travail consiste à montrer ce qui existe déjà. En outre, Buissart réalise des éditions d’artiste et des œuvres en séries, souvent caractérisées par une approche ludique : un singlet transformable en sac, ou un gant avec un porte-canettes cousu à l’intérieur pour tenir au chaud dans la rue, les mains des buveurs.
Buissart observe les laissés-pour-compte avec un regard empreint de chaleur, de générosité et d’humour.

 

Jonathan De Winter

°1982 Huy, leeft en werkt in Luik/vit et travaille à Liège
2002-05: Sint-Lukas, Luik
2005-07: ERG, Brussel

[NL]

De drie grote sculpturen, constructies geassembleerd uit objecten en “do-it-yourself”- materialen, die Jonathan De Winter in de tuin toont, ontstaan terwijl hij ze maakt, m.a.w. hij maakt op voorhand geen tekening of schets. Het zijn plaatsen waar tijdens de performance muzikanten in zullen zitten, liggen of staan, en met hun specifieke houding in het achterhoofd, bouwt hij als het ware omhulsels en platformen. Alles is potentieel materiaal: hout, ijzer, plastiek, rubber, kabel, metaal, gekocht, gevonden, gekregen, bestaand, gemaakt, hersteld. De werken zelf zijn ook wat hij noemt “het begin van een vervolg” of “het einde van een begin”. Alles kan groeien. “Block Bunker”, de containerachtige ruimte die de boom om- en insluit, is een metaforische “chambre d’enregistrement” voor toekomstige opnames van de natuur, de stad, een kunstencentrum,…
Het beeldend oeuvre van De Winter staat steeds in relatie met zijn activiteit als performer en muzikant. De “choreografie” van de performance bepaalt de vorm van een beeldhouwwerk, en is veranderlijk zowel tijdens de tentoonstelling als in de tijd. Zijn sculpturen kunnen gezien worden als gestolde sites, die zoals bij een vulkaan, vanbinnen warm en in beweging blijven.

[FR]

Les trois grandes sculptures que Jonathan De Winter présente dans le jardin et la maison de jardin, sont réalisées pendant le processus de création. Il s’agit d’endroits où les musiciens prendront place, assis, debout ou couchés,pendant la performance. Imaginant leur pose, il réalise des cocons et des plate-formes. Il mélange matériaux et environnement : bois, fer, plastique, caoutchouc, câbles, métal. Achetés, trouvés, existant, recyclé, réparé. Comme il le dit lui-même, les œuvres sont « le début d’une suite » ou « la fin d’un début ». Chaque chose peut encore évoluer. “Block Bunker”, l’espace ressemblant à un container qui englobe l’arbre, constitue une métaphorique “chambre d’enregistrement” pour des enregistrements futures de la nature, la ville, un centre d’art,… L’œuvre plastique de De Winter est toujours en relation avec son activité en tant que performer et musicien. La “chorégraphie” de la performance détermine la forme de la sculpture et varie le temps de l’exposition et après. Ses sculptures peuvent être perçues comme des sites solidifiés qui, comme un volcan, restent actifs à l’intérieur.

 

Andrea Galiazzo

°1983 Padua, leeft en werkt in Brussel/vit et travaille à Bruxelles
2004-07: Visual Art and Theatre, IUAV, Venetië (I)
2007-09: Visual Arts, IAAV, Venetië (I)

[NL]

Het werk van Andrea Galiazzo vertrekt vanuit persoonlijke gebeurtenissen. Dat is meestal de aanzet. Hoe dit zich dan verder in de tijd en in de ruimte afwikkelt, laat hij graag aan het toeval of de omstandigheden over. Het verplaatsen, verliezen of vinden van een bepaald object is daardoor veelal aanwezig in zijn oeuvre. Het werk “Beeline”, bijvoorbeeld, gaat terug op de afstand (in vogelvlucht) die hem in Italië van zijn geliefde in Brussel scheidde. Die afstand had hij in een kassei gekerfd. Een ander werk in de tentoonstelling bestaat uit 170 kindertekeningen die zijn moeder van hem bewaard heeft. Ook hier betreft het kunstwerk, dat het die ene verzameling is, en Galiazzo aanvaardt, wat anderen hebben bijgehouden. Hij wil niet interveniëren, selecteren, scheiden of samenvoegen. Voor een deelname aan een tentoonstelling in Carrara had hij zijn bijdrage per post opgestuurd. Het pakje kwam echter nooit ter plaatse en kwam ook niet terug. Deze gebeurtenis inspireert hem om dit gegeven in een nieuw werk om te zetten.
Zijn artistieke praktijk is het aanvaarden en zich overgeven aan de gebeurtenissen, zijn materiaal is geduld.

[FR]

Le travail d’Andrea Galiazzo est basé sur des expériences personnelles. Le point de départ est souvent autobiographique mais le développement dans le temps et dans l’espace repose sur le hasard ou les circonstances. Le déplacement, la perte ou la découverte d’un objet revient souvent dans son œuvre. Par exemple la pièce « Beeline » qui s’inspire de la distance (à vol d’oiseau) entre l’Italie et Bruxelles, qui le séparait de sa compagne. Cette distance, il l’a gravée dans un pavé. Une autre œuvre est composée de 150 dessins d’enfance, conservés par sa mère. La collection constitue une œuvre et Galiazzo accepte ce que les autres ont gardé. Il ne souhaite plus intervenir, sélectionner, diviser ou rassembler. Pour sa participation à une exposition à Carrare, il avait envoyé sa contribution par la poste. Le paquet n’arriva jamais mais ne lui fut pas non plus renvoyé. Cet incident lui inspira une nouvelle œuvre.
Accepter les évènements et s’y abandonner constituer sa pratique artistique, son matériau est la patience.

 

Filip Gilissen

°1980 Brussel, leeft en werkt in Brussel/vit et travaille à Bruxelles
2004-06: Sint-Lukas, Antwerpen
2007-09: The School of the Museum of Fine Art, Boston
2008-09: Sint-Lukas, Brussel

[NL]

Het nummer 03 232 20 62 schittert aan de façade, binnen staat een gouden telefoon. Zoals bij vele werken van Gilissen, is de relatie tussen kunstwerk en publiek ook hier erg belangrijk. Gilissen, in wiens oeuvre “goud”, holle frasen en clichés een cruciale rol spelen, merkte in “the Godfather” een gouden telefoon op, die Corleone gebruikte. Dit symbool van luxe, macht en decadentie, eigen aan het maffia-epos uit de jaren’80, wordt door de kunstenaar met gelijkaardige connotaties tentoongesteld. De ongeschreven regels, de hiërarchie, de beïnvloeding en de machtspraktijken zijn ook de kunstwereld niet vreemd. Ook hier draait het om een cliché. En toch gaat het niet enkel om het tonen van een object uit een film: de bezoeker kan het nummer bellen, de telefoon is aangesloten en de opdracht kan gegeven of ontvangen worden.
“What goes around, comes around” zijn 2 films gepresenteerd op monitoren, waarin twee Golden Retrievers, een reu en een teefje, gevolgd worden op de opening van een tentoonstelling. Ze dragen een jasje met NO en PROBLEM. Het is het hondenras dat in bepaalde milieus (“waarin alles goed gaat”) veel voorkomt, en staat voor trouw, conservatisme en welstand.
Zoals typisch in het oeuvre van Gilissen, doorprikken ook deze werken de luchtbel van het geluk en succes in de prestatiegerichte samenleving van vandaag.

[FR]

Sur la façade brille le numéro 03 232 20 62, à l’intérieur un téléphone doré est installé. Comme dans la plupart de ses oeuvres, Gilissen accorde ici beaucoup d’importance à la relation entre l’œuvre et le public. L’or, les slogans creux et les clichés y jouent un rôle crucial. En voyant “le Parrain” Gilissen a remarqué le téléphone en or qu’utilise Corleone ; symbole du luxe, du pouvoir et de la décadence propres à la saga sur le milieu mafieux réalisé dans années ’80. Aux dires de certains, les règles tacites, la hiérarchie, l’ingérence et les pratiques frauduleuses, caractérisent aussi le monde de l’art. L’œuvre aborde cette idée préconçue, mais ne se limite pas à montrer un objet sorti d’un film : le téléphone est raccordé, le visiteur peut former le numéro et donner ou recevoir un ordre.
“What goes around, comes around” est le titre d’une installation composée de deux écrans. Les films montrent deux Golden Retrievers, un mâle et une femelle, pendant le vernissage d’une exposition. Ils portent un manteau imprimé des mots NO et PROBLEM. Le Golden Retriever, race courante dans les milieux aisés, est symbole de fidélité, de conservatisme et de prospérité.
Ces pièces sont représentatives du travail de Gilissen dans le sens où elles percent l’illusion de bonheur et de succès véhiculée par la société actuelle, sous-tendue par l’idée de performance.

 

Lien Hüwels

°1988, Ekeren, leeft en werkt in Antwerpen/vit et travaille à Anvers
2007-11: Sint-Lukas, Antwerpen

[NL]

De zwart wit foto’s van Lien Hüwels zijn zelfportretten. Het gevoel dat ze wilde dat het onderwerp uitstraalde was te ingewikkeld om aan derden uit te leggen, daardoor was het een logische stap voor haar om zelf (studie)object – subject, acteur en auteur te zijn van haar fotografie. “Wat ik denk of hoop dat er gebeurt als je goed naar de beelden kijkt, is dat de toeschouwer een soort van innerlijke beweging moet maken. Het zijn filmische beelden die dingen oproepen en een soort van herkenning kunnen betekenen voor de toeschouwer. Het gaat over poëtische beelden die kwetsbaarheid uitstralen. Er zitten aspecten van gène in. Langs de andere kant zijn het herkenbare beelden, beelden die iedereen al ‘meegemaakt’ heeft. De toeschouwer heeft dus de kans om mee te gaan in het beeld en daardoor zichzelf ook vragen kan stellen over onze omgang met het lichaam en welke invloed de ander heeft op ons.” (L. Hüwels)
De openbaring van intimiteit geeft de kijker een gevoel van onbehagen en voyeurisme.
De zelfportretten van Lien Hüwels geven een schrale realiteit weer. En toch, zoals in de films van de gebroeders Dardenne, gaat ook hier in het lelijke een schoonheid schuil, die verrast en ontroert.

[FR]

Les photographies en noir et blanc de Lien Hüwels sont des autoportraits. Expliquer à ses modèles quelle émotion elle voulait exprimer s’avéra trop compliqué et elle choisit donc de se mettre en scène elle-même en tant qu’objet-sujet, acteur et auteur de sa photographie.
« Je crois, ou j’espère, qu’en regardant avec attention les images, le spectateur réalise un parcours intérieur. Les images sont cinématographiques, elles provoquent des émotions et peuvent évoquer des souvenirs. Il s’agit d’images poétiques d’où se dégage une fragilité, et même des aspects de gène.
D’autres part, elles sont familières, elle montrent des choses que chacun a vécues. Le spectateur est invité à se laisser entraîner par l’image. Il peut alors à son tour questionner son rapport à son corps et aux autres». (L. Hüwels)
La manifestation d’une intimité donne au spectateur un sentiment de gène et de voyeurisme.
Les autoportraits en noir et blanc de Lien Hüwels, reflètent quant aux eux une piètre réalité. Et pourtant, comme dans lesfilms des frères Dardenne, la beauté se cache dans la laideur, elle étonne et émeut.

 

Adrien Lucca

°1983 Paris, leeft en werkt in Maastricht/vit et travaille à Maastricht
2007-09: ERG, Brussel
2010-11: Jan Van Eyckacademie, Maastricht (NL)

[NL]

De tekeningen van Adrien Lucca zijn gedetailleerde en nauwkeurige studies. Geordend in reeksen onderzoeken ze verschillende specifieke aspecten van kleur, licht, en andere vragen van “visuele syntaxis”.
Zoals een componist, ordent en meet hij elementen (lijnen, munten, …), “visuele instrumenten”, die zich ontplooien tot series van geometrische vormen. De grijze tonen ordenen zich van licht naar donker, de kleuren van één teint naar een andere. De ruimte tussen de lijnen varieert, hun dikte en hun kleur zijn het resultaat van een berekening. Wat eruit voortvloeit is bijvoorbeeld te vergelijken met de crescendo en diminuendo van een partituur of met polifonische schrijfwijzen. De kleurpastilles verraden slechts in beperkte mate de strenge cijfers en objectieve berekeningen die aan hun basis liggen. Deze cijfers zijn in potlood genoteerd en kunnen enkel van heel nabij gezien worden.
In een andere reeks tekent Adrien Lucca “wolken” van punten en lijnen zich baserend op geometrische figuren en grafische elementen waarvan het verschijnen op het papier afhangt van toevallige reeksen: kop of let, een tol, een teerlingworp.
Men kan van het werk op verschillende wijzen genieten: als een reeks systematische onderzoeken, als een ode aan de kleur in zijn meest simpele weergave, en als een visuele uitdrukking van iets dat –afhankelijk van het standpunt – zowel eenvoudig als complex is.

[FR]

Les dessins d’Adrien Lucca sont des études précises et détaillées. Ordonnées en séries, elles abordent un ou plusieurs aspects spécifiques de la couleur, de la lumière ou d’autres questions de “syntaxe visuelle”. Tel un compositeur de musique, il calcule, ordonne et mesure les éléments ou les “instruments visuels” (lignes ou points) qu’il déploie ensuite dans des séries de formes géométriques.
Des échantillons gris s’ordonnent du clair au foncé, des couleurs opposées d’une teinte à l’autre en passant par le gris. L’espace entre les lignes varie, leur épaisseur et leur couleur sont mesurées. Ce qui en résulte est par exemple comparable aux crescendo et diminuendo de l’écriture musicale, à de l’écriture polyphonique, ou bien tout simplement au fait d’accorder un instrument de musique. Les pastilles de couleurs trahissent pourtant à peine les chiffres sévères et les calculs objectifs qui en constituent la base — chiffres qui sont notés au crayon et lisibles uniquement de très près.
Dans une autre série, Adrien Lucca dessine des “nuages” de points ou de lignes en se basant sur des figures géométriques et des éléments graphiques dont l’apparition sur le papier dépend de séries aléatoires : pile ou face, toupies, coups de dés…
Son travail peut être apprécié à différents niveaux de lecture : comme une série d’investigations systématiques, comme un hommage à la couleur qui la montre de la manière la plus simple qui soit, ou encore comme l’expression visuelle de quelque chose qui est à la fois simple et complexe.

 

Karl Philips

°1984 Hasselt, leeft en werkt in België/vit et travaille en Belgique
2004-09: Vrije Beeldende Kunst, PHL, Hasselt
2010-11: HISK, Gent

[NL]

Het sociaal engagement van Karl Philips vindt zijn directe neerslag in zijn artistiek oeuvre. Zijn grote driedimensionale sculptuur bevindt zich achter het werfbord. Ook reeds in het verleden ontwierp hij kleine wooneenheden gebaseerd op de afmetingen van reclamepanelen. Daarachter bouwt hij een tijdelijke architectuur die een uitklapbare ruimte vormt voor een dakloze. De constructie heeft een afmeting van 11 meter breed en 2,5 meter diep, een voldoende oppervlakte om te eten en te slapen.Het is als het ware een hedendaagse en sociale versie van de boomhut. Philips gebruikt de vormgeving van activisme (ondergrondse stroomaggregaten, ladder, hekwerk, …) dat aan bod komt ten gevolge van sociale uitsluiting. Hij hoopt dat de tewerkgestelde arbeiders van de site het kunstwerk zullen beklimmen en gebruiken.
Zijn oeuvre is een sociale sculptuur in de meest letterlijke betekenis van het woord.

[FR]

L’engagement social de Karl Philips se retrouve de manière directe dans son œuvre artistique. Ses grandes sculptures ze trouvent derrière le panneau de chantier. Dans le passé déjà il a conçu des modules d’habitations basés sur les dimensions de panneaux publicitaires. Derrière le panneau, il construit une architecture temporaire dépliable destinée a accueillir un sans-abri. L’espace fait 11 mètres de large sur 2,5 mètres de profondeur et offre assez de place pour manger et dormir. La construction fait penser à une version contemporaine et sociale de la cabane. Karl Philips emprunte les instruments des activistes (agregats électriques ous-terrain, échelles, barrières, …) exclus de la societé. Il espère que les ouvriers du chantier avoisinant vont monter dans la cabane et s’y installer.
Son œuvre est une sculpture sociale dans le sens le plus littéral du terme.

 

Adrien Tirtiaux

°1980 Brussel, leeft en werkt Antwerpen en Wenen/vit et travaille à Anvers et Vienne
1998-03: UC Louvain-La-Neuve, civil engineering/architecture
2003-08: Akademie der bildenden Künste Wien, sculptuur/performance

[NL]

In de woning van Adrien Tirtiaux hangt reeds een lange tijd een ingekaderde pagina uit een architectuurtijdschrift, waar de grafische vormgever naast de tekst de afbeelding van een gebouw ondersteboven heeft geplaatst. Tirtiaux bezoekt het tuinhuis in de Paleisstraat 140, en ziet dat de vensters ondersteboven in de gevel zijn gemetst. Nu zijn de omstandigheden er, om een idee uit te werken waar hij zich reeds lang mee bezig houdt: hij switcht vloer en plafond. De ruimte is zijn werkmateriaal, de omgeving zijn inspiratie. Gevormd als architect maar met de blik van een kunstenaar reageert hij op situaties die zich aandienen.
Zo wordt ook op de titel van de tentoonstelling in een schets gealludeerd, die naar “Smurfe Koppen en Koppige Smurfen” (Peyo / Y. Delporte, 1973) verwijst, waarin door taalproblemen de noord- en zuidsmurfen een grens trekken door het smurfendorp. Als liefhebber van stripverhalen en tweetalige Belg ontwierp Tirtiaux een ludiek ontwerp voor het Belgisch paviljoen in Venetië.
Verder, wordt de zware centrale houten poort aan het poortgebouw gesloten als aan de kleinere deur aan de linkerkant aangebeld wordt.
Dit is typisch in het oeuvre van Tirtiaux: Hij onderzoekt eigenschappen van een ruimte die cultureel of functioneel bepaald zijn. Die “oude” eigenschappen schakelt hij uit, verandert ze of vindt ze opnieuw uit.

[FR]

Une page tirée d’une revue d’architecture, sur laquelle le graphiste a placé la photo d’un bâtiment dans le mauvais sens, est accrochée à l’envers depuis un certain temps dans l’appartement d’Adrien Tirtiaux. Lorsqu’il visite le pavillon de jardin de la Paleisstraat 140, Tirtiaux remarque que les fenetres y ont été montées à l’envers. Les circonstances sont ainsi réunies pour mettre en oeuvre une idee qu’il a en tête depuis longtemps: confondre le sol et le plafond. L’espace est son matériau de travail, le contexte son inspiration. Formé en tant qu’architecte, il réagit aux situations qui se présentent devant lui avec l’oeil d’un artiste.
De la même manière, il répond au titre de l’exposition par une esquisse réfèrant à “Schtroumpf vert et vert schtroumpf” (Peyo / Y. Delporte, 1973), dans lequel les schtroumpfs du nord et les schtroumpfs du sud traçent une frontière au milieu de leur village suite à une querelle linguistique. Amateur de bandes dessinées, belge bilingue, Tirtiaux développe un projet pour le pavillon belge de Venise.
Les portes en bois massives du portail de l’ancien hôpital militaire se ferment lorsque l’on sonne à la petite porte. Ici aussi, un détournement a lieu, ce n’est pas là où on est que la porte s’ouvre et vice versa.
Autant d’interventions typiques de l’oeuvre de Tirtiaux: il analyse la définition culturelle ou fonctionnelle des espaces auxquels il est confronté. Il en élimine les caractéristiques “originelles”, les remanie, les réinvente.

 

Marie Zolamian
°1975 Beirut (Libanon), leeft en werkt in Luik/vit et travaille à Liège
2001-05: Academie voor Schone Kunsten, Liège
2007-08: La Cambre, Bruxelles

[NL]

Aangetrokken tot de geschiedenis van de site van het militair hospitaal, slaagde Marie Zolamian erin drie zusters te bezoeken die tussen 1946 en 1993 verpleegster en zuster waren in het militair hospitaal. Het kunstwerk “Before after” bestaat uit een geluidsinstallatie waarop we de stemmen van de zusters horen, en hun twee portretten liggen in een vitrine geschilderd in acrylic op canvas. Ze vertellen wat ze zich nog herinneren, en hoe verschillend het vandaag allemaal is. In de opname vinden we vage reconstructies, aandacht voor futiliteiten, verwarring, weinig belang voor de plaatsen, herhalingen. Tijdens het gesprek verbeteren en overtroeven de zusters elkaar. De ene was 38, de andere was 48 jaar op de site. En toch, de hele verdieping van het torengebouw is gehuld in een serene sfeer met aandacht voor het verleden. De in vitrines geplaatste werken tonen meestal vrouwen waarvan niet duidelijk is of ze slapen of overleden zijn. Hun houding straalt een ceremonische rust uit. De schilderwerken tonen vrouwen in een passieve toestand, veelal in een “tussenstadium” van twee werelden: gedoopt worden, huwen, religieuze ceremoniën, meditatie, verwachting, bezinning. Ze dragen bijna steeds een wit kleed. De rust en overgave die in de kunstwerken aanwezig is, contrasteert met het gefluister achter de half gesloten deur. De scheidingslijn tussen roeping en onderwerping vroeger en nu is erg dun.
In het oeuvre van Zolamian gaat het vaak over het oproepen van collectieve herinneringen. Ze streeft ernaar verloren of vergeten momenten (tijd) of locaties (ruimte) terug zichtbaar te maken.

[FR]

Attirée par l’histoire du site de l’hôpital militaire Marie Zolamian a retrouvé trois religieuses, qui entre 1946 et 1993 y ont travaillé en tant qu’infirmières. L’œuvre “Before after” est composée d’une installation sonore qui nous fait entendre les voix des sœurs, tandis que leurs portraits, peints à l’acrylique sur toile, sont exposés dans une vitrine. Elles se racontent leurs souvenirs et comment les choses ont changé. Ce qui frappe sont les reconstructions vagues, l’importance qu’elles portent aux futilités, les quiproquos, les redites, et le manque de précisions géographiques. Les trois sœurs se corrigent et surenchérissent. L’une d’elle a travaillé 38 ans sur le site, l’autre 48 ans. Les religieuses ont les mêmes émotions que tout autre humain et pourtant nous les associons avec la paix, la bonté et la patience. Tout l’étage de la tour est plongé dans une atmosphère sereine, le passé est derrière la porte. Les œuvres posées dans des vitrines représentent des femmes dont il est impossible de dire si leur sommeil est vrai, ou éternel. Leurs corps dégagent un apaisement solennel. Les tableaux montrent des femmes passives, souvent entre deux mondes: baptême, mariage, cérémonie religieuse, méditation, attente, réflexion. Presque toutes portent une robe blanche. La paix et l’abandon qui émanent des œuvres contrastent avec les chuchotements que l’on entend derrière la porte à demi fermée. La frontière entre la vocation et la soumission est infime, le monde idéal et le monde réel se rencontrent rarement.
L’ œuvre de Zolamian aborde souvent le thème de la mémoire collective. Elle tente de rendre visible des moments ou des lieux perdus ou oubliés.

 

Met dank aan alle deelnemende kunstenaars,
Stella Lohaus, Gregory Brems en Martin Blank, Pieter Boons, Guillaume Bijl, Nadia Bijl, Wim Catrysse, Nicky Coenen, Yirka De Brucker, Beau Delagaye, Pepa De Maesschalck, Extra City, Hannelore Mattheus, Middelheimmuseum, Tin Jacobs, Karolien Jansen, Ludmilla Kourline, Kasper Martens, M HKA, Ria Pacquée, Claudia Plank, Chris Pype, Philip Rubbens, Franziska Schutz, Mima Schwahn, Kirsten Trippaers, het Toneelhuis, Charlotte Wittock, Hans Wuyts, Séverine Windels, Sietske Van Aarde, Philipp Van Damme en Dirk Vermeirre.